DHC historie

Artikelindex

Historie Marineluchtvaartdienst

Met de oprichting van het DHC ging tevens een stukje maritieme geschiedenis verloren. Na de oprichting op 18 augustus 1917 van de Marineluchtvaartdienst (MLD) is de Koninklijke Marine na ruim 90 jaar haar zelfstandige vliegbedrijf kwijtgeraakt. In die periode heeft de MLD wereldwijd geopereerd en zijn waarde ruimschoots bewezen. Toen per 1 januari 2005 de Groep Maritieme Patrouillevliegtuigen werd opgeheven, bleef alleen nog de Groep Maritieme Helikopters op De Kooy bij Den Helder over. Deze is nu dus opgegaan in het DHC en Marinevliegkamp de Kooy wijzigde per 1 januari 2008 haar naam in Maritiem Vliegkamp De Kooy.

Oorlogssituaties

De Farman F-22 was het eerste vliegtuig van de MLD. Het eerste vliegkamp was Schellingwoude (1916) aan het Amsterdamse IJ, gevolgd door De Mok (1917) op Texel, Veere (1918) en De Kooy (1918) bij Den Helder. Het belang van het vliegtuig voor de marine werd al snel bewezen. Enerzijds vanwege verkenningen voor de vloot. Maar in Nederlands-Indië was ook de bewaking van de noordelijke zeetoegangen belangrijk. In dat voormalige koninkrijksdeel, waar de MLD vanaf 1919 vloog, verliep alles zeer snel. Met vliegboten konden vanaf 1926 lange afstanden worden gevlogen. Dit gebeurde achtereenvolgens door de Dornier Wal, de Fokker T-IV, de Dornier Do-24K en vanaf 1941 de Consolidated PBY-5 Catalina.

Het zwaartepunt van de MLD lag onbetwist in dit deel van het koninkrijk. Zo voerde de dienst veel verkenningsvluchten uit voor de vloot. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog beschikte de MLD over 34 Dornier Do-24K en 25 Catalina vliegboten, 8 Fokker C-XI W drijvervliegtuigen voor de kruisers en 10 verouderde Fokker T-IVa’s. Het materieel was goed, maar in aantal onvoldoende om begin 1942 de invasie van een Japanse overmacht tegen te houden. De nog beschikbare vliegtuigen weken uit of werden door eigen personeel vernietigd. Anders was dat in het moederland, waar de MLD niet meer beschikte over vliegtuigen om vlootbasis Den Helder te verdedigen. Dit was de taak van de Fokkers D-XXI van de landmacht op De Kooy. Maar ondanks hevige tegenstand waren zij op 10 mei 1940 niet opgewassen tegen de Duitse overmacht. Een aantal MLD-vliegers zag wel kans om met acht Fokkers T-VIIIW torpedobommenwerpers naar Engeland te vluchten. Op 22 mei 1940 arriveerden zij op Calshot, vliegbasis van de Royal Air Force.

In augustus 1940 volgde de oprichting van de vliegtuigsquadrons 320 en 321 met respectievelijk Fokkers T-VIIIW en Avro Ansons-toestellen. Die werden ingedeeld bij het Britse Coastal Command. Deze toestellen bleken in oorlogssituaties niet te voldoen. Vervangers waren de Lockheed Hudsons. Deze vliegtuigen moesten konvooien begeleiden en beschermen, maar ook vijandelijke ertstransporten op de scheepvaartroute Narvik-Rotterdam aanvallen. De grote verbetering kwam toen het squadron de beschikking kreeg over B-25 Mitchell vliegtuigen en werd ingedeeld bij de 2nd Tactical Air Force van de RAF. Op 17 augustus 1943 voerde squadron 320 zijn eerste bombardement uit op de rangeerterreinen van Calais. Dit was het begin van 3500 missies waarbij 140 man om het leven kwamen. Zonder afbreuk te doen aan andere krijgsmachtonderdelen, kan gezegd worden dat 320 het productiefste onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht was tijdens WO II.

Karel Doorman

De strijd in Nederlands-Indië was kort maar hevig. De MLD-vliegtuigen hadden geen schijn van kans tegen de moderne Japanse jagers. Na de Slag op de Javazee op 27 februari 1942 volgde de evacuatie van de resterende 52 vliegtuigen naar Australië en Colombo. In Australië schoten Japanse toestellen op 3 maart 1942 tijdens een nachtstop negen vliegtuigen in brand. Daarbij kwamen 48 mensen om het leven, onder wie 32 vrouwen en kinderen. In China Bay (Ceylon) kwam in juli 1942 opnieuw vliegtuigsquadron 321 in dienst, dat met Catalina’s lange patrouillevluchten maakte op de Indische Oceaan.

Ongeveer tegelijkertijd startte de opleiding van nieuwe vliegtuigbemanningen bij The Royal Netherlands Military Flying School in het Amerikaanse Jackson (Mississippi). Twee groepen van twintig MLD vliegers gingen naar het Verenigd Koninkrijk voor een opleiding tot carriervlieger. Zij werden ingedeeld bij vliegtuigsquadron 860 en vlogen met Swordfish-vliegtuigen vanaf de twee Nederlandse Merchant Aircraft Carriers. Dit waren de Shell-olietankers Macoma en Gadila, die over een vliegdek beschikten. Vliegkampschepen hebben in de Tweede Wereldoorlog hun waarde bewezen en de rol van het slagschip volledig overgenomen.

Het is daarom niet verwonderlijk dat de marineleiding na de oorlog besloot een vliegkampschip in dienst te nemen. In bruikleen van Groot-Brittannië werd in 1946 de HMS Nairana als Hr.Ms. Karel Doorman in dienst gesteld en uitgerust met Firefly-jachtbommenwerpers. De Doorman bracht in dat jaar vliegtuigsquadron 860 naar de ‘Oost’, waar de geëmbarkeerde Fireflies op 12 oktober landden op vliegveld Kemajoran. Samen met de Dakota’s en Catalina’s verleende het squadron luchtsteun tijdens de politionele acties (de militaire operaties die Nederland in die tijd op Java en Sumatra tegen de uitgeroepen Republiek Indonesië ondernam).

De Koninklijke Marine nam de wederopbouw van de MLD voortvarend ter hand. Er kwam nieuw materieel en de marine nam Valkenburg in 1947 over van de luchtmacht. Voorts werd de Opsporings- en Reddingsdienst ingesteld en De Kooy weer opgebouwd. In 1948 liep de tweejarige bruikleenperiode van de ex-HMS Nairana ten einde en besloot de marineleiding over te gaan tot aankoop van de Britse light fleet aircraft carrier HMS Venerable, die ook de naam Karel Doorman kreeg. Op 28 mei 1948 volgde in Portsmouth de indienststelling. Met 13.000 ton was dit het grootste schip dat ooit bij de Koninklijke Marine in dienst is geweest. Fireflies, Seafuries, Sikorsky-helikopters, Avengers, Seahawk-straaljagers en Trackers landden en stegen op van de carrier die in 1968 door brand voortijdig uit dienst werd gesteld.

In de jaren vijftig bereikte de MLD een enorme omvang met vier vliegkampen, elf squadrons, ruim tweeduizend man personeel en de MLD-bemanning op de Hr.Ms. Karel Doorman. Maar in de volgende decennia daalde de omvang sterk en veranderden de taken. Vanwege de sterk groeiende onderzeebootvloot van de Sovjet-Unie werd de focus verlegd van de aanvankelijke verkenningen en het aanvallen van land- en zeedoelen naar onderzeebootbestrijding.

Vliegverbod

Begin van de jaren vijftig ontstonden nieuwe operatiegebieden en vliegkampen. Zo werd vliegtuigsquadron 1 in januari 1952 permanent op Curaçao gestationeerd. Dat jaar bracht Hr.Ms. Karel Doorman twaalf Fireflies naar dit eiland, als voorbereiding op het Koninkrijksstatuut van 1954. Na de onafhankelijkheid van Indonesië verhuisde de MLD naar Nederlands Nieuw-Guinea. Aanvankelijk met Catalina’s van squadron 321, en vanaf 4 juli 1955 aangevuld met Fireflies. Thuisbasis was Marinevliegkamp Biak. Datzelfde jaar vervingen amfibische vliegtuigen de Catalina’s . Vier van de zeventien Mariners verongelukten, met een groot verlies aan mensenlevens tot gevolg. Dit leidde in januari 1960 tot een vliegverbod voor deze toestellen.

Om in deze leemte te voorzien, leende de MLD vier Dakota’s van de Koninklijke Luchtmacht, waarvan er één verongelukte. Toen in september 1961 de spanningen in Nieuw-Guinea opliepen, arriveerden de eerste Lockheed Neptunes P2V7. Nog geen jaar later moest Nederland onder internationale druk Nieuw-Guinea overdragen aan de Verenigde Naties, die het weer overdroegen aan Indonesië. Daarmee kwam in 1962 een einde aan de taken van de Koninklijke Marine in Zuidoost-Azië.

De Karel Doorman, die aanvankelijk was uitgerust met jachtbommenwerpers, onderging een taakverandering toen het schip vliegtuigen voor onderzeebootbestrijding kreeg toegewezen, zoals de Grumman Avengers in 1954 en de Grumman Trackers in 1960. De Lockheed Harpoon was in 1951 het eerste vliegtuig voor onderzeebootbestrijding vanaf de wal. Zijn opvolger was de Lockheed Neptune P2V5, die tevens opsporings- en reddingsdiensten vervulde. In 1962 kreeg squadron 320 de Lockheed Neptune P2V7, die na de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea terugkeerde naar het vaderland. Kort na aankomst volgde de ombouw voor onderzeebootbestrijding.

Drugsbestrijding

In de jaren zeventig ging het aantal squadrons omlaag van tien naar vijf, terwijl het aantal vliegtuigtypen daalde van acht naar vier. In de jaren tachtig zette de afslanking zich voort en ging ook het aantal squadrons terug naar vier. Alleen de Lockheed Orion en de Westland Lynx helikopter bleven over. Na de val van de Berlijnse muur en de inkrimping van de Sovjet-onderzeebootvloot, dienden zich begin jaren negentig nieuwe taken aan. Fregatten gingen naar de Perzische Golf om toezicht te houden op de naleving van de VN-resoluties tegen Irak. De ingescheepte helikopters werden hiervoor aangepast. In 1992 werden soortgelijke operaties uitgevoerd in voormalig Joegoslavië. Voor langdurige patrouilles stationeerde de MLD twee Orions op Sicilië, terwijl de Lynx-helikopters op de fregatten zogeheten boarding teams kregen. Dit waren speciaal opgeleide mariniers die verdachte schepen controleerden op illegale wapentransporten. Het nieuwe landing platform dock Hr. Ms. Rotterdam deed in 1999 met Lynx helikopters mee aan de operatie Allied Harbour in Albanië. De heli’s zorgden voor transport en medische evacuaties. In 2002 hielden twee fregatten met heli’s en boarding teams het scheepvaartverkeer in de wateren rond Afghanistan in de gaten.

In 1982 kwam er een einde aan de MLD-taken op de Nederlandse Antillen en nam het 336 squadron van de Koninklijke Luchtmacht met twee F- 27M’s het over. Dit duurde tot 1993, toen in het kader van de drugsbestrijding twee Orions op Hato (het vliegveld op Curaçao) werden gestationeerd, die in 2000 ook de taken van de F-27M’s overnamen. De schepen en vliegtuigen voor drugsbestrijding en search and rescue vallen sinds 1997 onder de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba.

Dipping sonar

De eerste helikopter van de Koninklijke Marine was de Sikorsky S-51. Die kwam ruim vijftig jaar geleden uit de nalatenschap van de Stichting voor Hefschroefvliegtuigen. Deze helikopter kreeg als voornaamste taak het redden van drenkelingen en was plane guard (reddingshelikopter) aan boord van de Karel Doorman. De S-51 werd in 1953 opgevolgd door drie S-55 helikopters. Enkele jaren later volgde de S-58 dit hefschroefvliegtuig op en was de onderzeebootbestrijding een feit. Met een zogeheten dipping sonar voor actief en passief luisteren onder water waren deze helikopters een gevreesde tegenstander.

In 1966 introduceerde Defensie de nieuwe Van Speijk-fregatten. Met een hangar, vliegdek en een Westland Wasp helikopter was dit voor ons land een nieuw concept. De ‘Wasp’ was een eenvoudige helikopter die een torpedo kon vervoeren en door de bemanning van het schip naar een onderzeeboot werd gedirigeerd. In 1962 deed de Agusta-Bell 205 zijn intrede bij de Koninklijke Marine. In ruim vijftien jaar gebruikten Nederland en de Nederlandse Antillen dit hefschroefvliegtuig voor search and rescue en transporten. De 24 Westland Lynx-helikopters vervingen in 1976 zowel de Wasp als de Bell.

Kort na de Tweede Wereldoorlog volgde de oprichting van de Opsporings- en Reddingsdienst. Het Reddings Coördinatie Centrum kwam op het Marinevliegkamp Valkenburg. Op 26 februari 1987 adviseerde de Interdepartementale Commissie Noordzee Aangelegenheden de instelling van een Kustwacht, waarbij zes ministeries betrokken waren. In 2001 volgde de verhuizing van IJmuiden naar Den Helder en kreeg de Koninklijke Marine de operationele leiding.

Vanaf 1 januari 2008 heet Marinevliegkamp De Kooy voortaan Maritiem Vliegkamp De Kooy, als onderdeel van het Defensie Helikopter Commando. Het enige wat nog herinnert aan de Marineluchtvaartdienst zijn de squadrons 7 en 860, die vanaf 2010 zullen gaan opereren met de NH90-helikopter. Op 15 september 2007 werd op De Kooy voor de laatste keer een MLD-jubileum gevierd en kwam een einde aan het negentigjarige leven van een krijgsmachtonderdeel dat onder de wapenspreuk ‘Aera Possideo Ac Mare’ (zowel in de lucht als op zee ben ik meester) zijn verdiensten wel heeft bewezen.

Hoogtepunten MLD
1913 Eerste MLD-vliegers naar Luchtvaartafdeling in Soesterberg
1917 Marineluchtvaartdienst officieel in dienst gesteld
1929 LTZ Tetenburg maakt met een Dornier Wal vliegboot de eerste
vlucht naar Nederlands Oost-Indië
1940 Acht Fokker T-VIII W watervliegtuigen wijken uit naar Engeland en
worden als squadron 320 ingedeeld bij RAF Coastal Command
1941 Eerste Catalina vliegboten arriveren in Morokrembangan (Nederlands
Oost-Indië)
1942 Squadron 320 wordt met Mitchells ingedeeld bij RAF Bomber Command
en neemt deel aan de bombardementen boven Europa
1943 Squadron 321 start met operaties in het Verre Oosten vanaf China Bay
(Ceylon)
1947-1949 Politionele acties in Nederlands Oost-Indië
1947 Marinevliegkamp Valkenburg overgenomen van Luchtstrijdkrachten
1948

Vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman in gebruik genomen

Opsporings- en Reddingsdienst toegewezen aan MLD

1950 MLD start met operaties vanaf Biak in Nederlands Nieuw-Guinea
1951 Eerste helikopter, de Sikorsky S-51, wordt door de MLD in gebruik genomen
1952 Marinevliegkamp De Kooy, bij Den Helder, wordt weer in gebruik genomen
1962 Einde MLD operaties in het Verre Oosten. Nederlands Nieuw-Guinea wordt overgedragen aan VN
1964 Uitreiking vaandel aan Marineluchtvaartdienst
2005 Groep Maritieme Vliegtuigen wordt uit dienst gesteld en het Marine Vliegkamp gesloten
2008

Groep Maritieme Helikopters gaat op in het Defensie Helikopter Commando

Bron: www.maritiemnederland.nl

Nieuwsbrief ontvangen?